zangen en 313 heldenballaden. Het is uit deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen, heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn, de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische po?zie.
Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Servi?rs van Bosni? en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende reizen, door de eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten--werkelijk een zeer groot aantal--zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende tijdschriften Bosanska Veela (d.i. "de Veela van Bosni?") en Karadgitch en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912-1913.
Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp, die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers.
W. M. Petrovitch.
189 Queen's Gate, Londen,
Mei 1914.
HOOFDSTUK I. HISTORISCHE TERUGBLIK.
De komst van de Servi?rs.
Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw plaats had, leefden de Servi?rs als een patriarchaal volk in het land, dat nu als Galici? bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servi?, Oud-Servi?, Macedoni?, Bosni? en Herzegowina, Montenegro, Dalmati?, Batchka, Banaat, Croati?, Sirmi? en Istri?. De oude inwoners van deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610-641 na Chr.), die niet in staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Servi?rs al de provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op het meer barbaarsche. De Servi?rs omhelsden echter het Christendom pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee broeders Cyrillos en Methodius--de zoogenaamde Slavische apostelen--het Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven dat Evangelie verkondigden.
Vroege worstelingen.
Daar de Servi?rs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi van de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen werden de Servi?rs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan (graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den Bulgaarschen tzaar Sim��on vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund door Sim��on, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924-931), toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.
Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer

Continue reading on your phone by scaning this QR Code
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.