met die van Erivan op de onderscheiding aanspraak mogen maken, van het eerst na den zondvloed weder bewoond te zijn geworden. De traditie verhaalt zelfs, dat de aartsvader Noach, toen hij eindelijk, oud en des levens zat, den adem uitblies, te Marande werd begraven.
De karavanserai binnentredende, loop ik bijna een ouden bedelaar tegen het lijf: zijn van groeven en rimpels doorploegd gelaat en zijn sneeuwwitte baard getuigen, dat hij lange jaren op deze aarde heeft rondgewandeld. Zijne kleeding is bij uitstek schilderachtig; op het hoofd draagt hij een hoogen papash in den vorm van een suikerbrood; in betere dagen was hij gehuld in twee koledjas (eene soort van lange jassen of kaftans), de eene blauw, de andere rood. Maar tegenwoordig is het bovenkleed zoo gescheurd en het andere zoo versleten en uitgerafeld, dat de roode lappen heenkijken door de gaten in het blauwe kleed, en beiden een geheel vormen, waarvan het op het eerste gezicht niet gemakkelijk is de ware kleur te onderkennen. Maar hoe goed kleeden hem die pittoreske lompen, en hoe uitmuntend past die veelvervige rok bij het door ouderdom bijna eerwaardige voorkomen van dien grijzen bandiet!
Onze tegenwoordige herberg is van vrij wat beter gehalte dan die, waarin wij den vorigen nacht hebben doorgebracht. De binnenplaats is zeer ruim, en wij zijn gehuisvest in eene kamer met wit gepleisterde muren, voorzien van vensters, die met geolied papier zijn beplakt; een kleine schoorsteen, waarbij wij ons warmen kunnen, behoort niet tot de minste geriefelijkheden van dit vertrek. In den hoek bevindt zich eene deur, die naar eene smalle trap geleidt; ik bestijg die en kom op het platte dak, van waar ik gemakkelijk in de naburige woningen een kijkje kan nemen.--Te midden van eene binnenplaats staan eenige vrouwen met den heer des huizes te praten; niet vermoedende dat zij bespied worden, laten zij haar gelaat onbedekt; eene dienstbode, op den grond neergeknield, kneedt van koemest, gehakt stroo en aarde het leem, waarmede de breuken en scheuren in de muren worden hersteld.
De bazar, die van allerlei waren goed voorzien is, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van onze karavanserai. De levensmiddelen zijn er zoo goedkoop, dat onze tsjarvadars aan de verzoeking om een feestje aan te leggen, geen weerstand kunnen bieden. Een hunner, de redenaar van den troep, vraagt of hij ons een verzoek mag doen; dit toegestaan zijnde, verlangt hij uit naam van allen, twee tomans (eene perzische munt), om daarvoor een schaap en rijst te koopen, ten einde zich tot Tauris te kunnen voeden. De goede raadgevingen van den heer Ovnatamof komen mij te binnen; ik begin dan ook met te weigeren, en vraag vervolgens aan den spreker, waar het geld gebleven was, dat zij te Djoelfa ontvangen hadden.
"Dat moesten wij immers aan onze vrouwen en kinderen laten?" hervat de brave man.
Dit antwoord treft mij, en ik haal mijn echtgenoot over om de twee tomans uit te betalen, noodig voor den aankoop van het schaap.
10 April.--Wij hadden al spoedig berouw over onze goedhartigheid: heden morgen zijn al onze tsjarvadars stomdronken!--Halverwege onzen tocht maken wij een halt van ettelijke uren bij de ru?nen van een der negenhonderd-negen-en-negentig karavansera?s, waarvan de stichting aan Shah-Abbas wordt toegeschreven. Het gebouw is vierkant; hare uit fraaien rooden steen opgetrokken, van sterke torens voorziene muren maakten de karavanserai tot eene vesting, die bij vijandelijke invallen en strooptochten eene veilige schuilplaats bood. De half in puin gevallen poort prijkt met een fraai moza?ek van blauwe tegels en rooskleurige baksteenen. Ook deze karavanserai is gedurende langen tijd een waar rooversnest geweest, evenals zoovele anderen; onze tsjarvadars aarzelden en beefden als een riet, toen wij het bevel gaven, met de karavaan hier stil te houden, ten einde eene afbeelding van de karavanserai te maken.
Toen wij weder op weg waren, kwam een der gidsen naar mij toe en zeide op vertrouwelijken toon:
"Eene maand geleden zouden wij op deze vervloekte plek zijn uitgeplunderd geworden. Tegenwoordig zijn er minder roovers, omdat de prins, gouverneur dezer provincie, den prefect van policie te Tauris veertig slagen op de voetzolen heeft doen toedienen.
--Maar welke betrekking kan er dan bestaan tusschen het hoofd der policie en de bandieten? vroeg ik hem. Ik kan toch niet onderstellen dat een zoo hoog geplaatst ambtenaar, die voor de openbare veiligheid moet zorgen, tevens rooverhoofdman zal zijn.
--Gij vergist u. Bandieten en magistraatspersonen leven, ten onzen koste, in zeer goede onderlinge verstandhouding, antwoordde hij; maar sedert zijne laatste tuchtiging doet de prefect van policie zijn best om de rooverij tegen te gaan.
--Hoe kan hij dat doen, nadat hij zijn gezag verloren heeft?
--Maar zijn gezag is onveranderd gebleven, herneemt de spreker, niet zonder verbazing; eenige dagen nadat hij de welverdiende strafoefening had ondergaan, zond de prins, die verder geen reden had om boos op hem te zijn, hem een khalat of eerekleed, als vergoeding voor de geleden pijn; en nu
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the
Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.