Perzië, Chaldea en Susiane | Page 6

Jane Dieulafoy
de vraag, of wij zouden overnachten in een kurdisch kamp, aan onze rechterhand opgeslagen, dan of wij onze reis zouden vervolgen naar een dorp, aan den voet van den berg. Gedurende deze overleggingen waren de nomaden ons genaderd en staarden ons met weinig vriendelijke blikken aan; er werd dus besloten, dat wij onzen weg zouden vervolgen, hetgeen dan ook geschiedde, midden door het veld, in de richting van het dorp. Van een weg of pad was geen spoor te ontdekken: het is mij nog onbegrijpelijk, hoe wij, bij de volslagen duisternis die rondom heerschte, het dorp hebben kunnen vinden.
De karavanserai bestaat uit eene vrij ruime binnenplaats, door een leemen muur omringd, waartegen in het rond, van dezelfde stof, eene reeks vertrekjes of hokken met platte daken zijn gebouwd. Ieder reiziger krijgt zulk een vertrekje tot zijne beschikking; dadelijk na zijne aankomst, bergt hij daar zijn bagage en zijne mondbehoeften; maar daar de maand Maart in dit bergachtige land vrij koud is, maken de muilezeldrijvers van deze al te luchtige vertrekken geen gebruik, en logeeren liever in den stal, waar eene aangename warmte heerscht. Men wijst ons tot verblijf een klein vochtig vertrek aan, zonder venster, waarvan de deur, bij gebrek van een slot, met een touwtje gesloten wordt. Deze onderscheiding laat mij koud, en ik vraag de gunst om ook in den stal te mogen logeeren, even als de weinige reizigers, die voor ons zijn aangekomen. Er is ruimte genoeg, want de Perzen, die voor niets zoo bang zijn als voor koude en winterweer, gaan niet dan in den uitersten nood in dezen tijd des jaars op reis. Maar de kou is niet de eenige oorzaak van het afnemen van het getal karavanen: in het vorige jaar zijn de invallen der Kurden in bijzondere mate talrijk en noodlottig geweest; die woeste horden hebben de grensdorpen geplunderd, de bewoners vermoord, en de gansche provincie met schrik en ontzetting vervuld. De landlieden, wier leven en have bij uitzondering gespaard bleef, hebben toch hun akker niet kunnen bebouwen; door honger gedreven, hebben zij zelven het rooversbedrijf ter hand genomen, en de karavanen, die te zwak waren om zich te verdedigen, overvallen en uitgeplunderd.
Toen wij den eenzamen woesten bergpas doortrokken, voegden zich vijf of zes wel bereden en uitgeruste Perzen bij ons; in plaats van vooruit te rijden, vormden deze ruiters steeds de achterhoede, ons de eer latende, aan het hoofd der karavaan te rijden. Dezen avond hooren wij hen nu elkander geluk wenschen met het gunstige toeval, dat hun veroorloofd had de reis te doen in gezelschap van dappere Faranguis, die zoo zeldzaam door roovers worden aangevallen, want de bandieten kennen de kracht der europeesche wapenen, en weten ook dat de Westerlingen niet gewoon zijn zich te laten uitplunderen, zonder zich te verdedigen. Na ook voor den verderen tocht onze reisgezellen onze bescherming te hebben aangeboden, beginnen wij onze bagage te ontpakken. Met bewondering zien wij, hoe uitmuntend onze reisgenooten zijn uitgerust, hoe hun niets ontbreekt van hetgeen voor zulk eene karavanenreis noodig is; en wij verzuimen de gelegenheid niet, om ons hieromtrent zoo volledig mogelijk op de hoogte te stellen. Intusschen kunnen wij hetgeen ons ontbreekt eerst te Tauris aanschaffen: tot zoo lang moeten wij ons dus maar behelpen.
Groote zakken, van tapijtstof gemaakt en met lederen riemen gesloten, bevatten perzische bedden, bestaande uit een grooten dik gewatteerden deken van gekleurd katoen. Die deken wordt vierdubbel gevouwen; een der uiteinden wordt bij wijze van hoofdkussen opgerold, en het geheel op den grond uitgespreid; dit zeer praktische bed wordt in geheel Perzi? gebruikt. In den winter gebruikt men daarbij nog een soort van laken of sprei; maar des zomers is dit geheel onnoodig, want het is ook hier niet de gewoonte, zijn kleeren uit te trekken als men gaat slapen. In diezelfde zakken wordt ook schoon ondergoed geborgen, benevens tapijten, die op de pleisterplaatsen op den grond worden uitgespreid.
In andere kleinere zakken bergt men allerlei huisraad: ketels en pannen, waschkommen en kannen, een samovar om thee te kunnen zetten, alsmede alle mondbehoeften, zooals rijst, brood, vleesch, groenten, suiker, enz., die men wel gedwongen is mede te nemen op eene reis, waarop men, aan de pleisterplaats gekomen, doorgaans niet veel anders vindt dan stroo voor de paarden en een nachtverblijf voor de ruiters.
Dien eersten avond op perzisch grondgebied doorgebracht, deed ik niet veel meer dan met een stillen naijver de uitrusting van onze reisgenooten opnemen; wij moesten ons behelpen met een dunne plaid voor matras, onze reiszakken voor hoofdkussen en een met bont gevoerden deken. Ook onze reiscantine bleek hoogst onvolledig: wij hebben niet genoeg keukengereedschap, en onze nieuwe bedienden, een kok en een hofmeester, beiden in lompen gehuld, beklagen zich dat zij niet de noodige schotels hebben en dus niet, zooals de perzische ��tiquette dat vordert, de verschillende gerechten tegelijk op tafel kunnen zetten.
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 181
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.