Het Leven der Dieren | Page 2

A.E. Brehm
mogelijke
behendigheid plaats. "Met bewondering wordt men vervuld," schrijft
Haacke, "wanneer men in de gelegenheid is Robben bij de vischvangst
na te gaan. In een ruimen bak van het Frankforter aquarium, ziet men
van uit de donkere, voor de toeschouwers bestemde ruimte, hoe de
Zeehonden hun uit levende Visschen bestaande prooi vervolgen. Men
verbaast zich over de zekerheid en snelheid, waarmede zij door
doelmatige, nauwkeurig afgemetene draaiingen, wendingen en
buigingen van iedere vin afzonderlijk, door het verlengen en verkorten
van den hals iedere beweging van den beangst door 't water schietenden

Visch weten mede te maken, hetwelk tot gevolg heeft, dat de prooi na
verloop van weinige oogenblikken in den muil van den Zeehond
verdwijnt, alsof zij er in opgezogen werd. Groot is ook de vaardigheid
waarmede onze Zeehonden, terwijl zij rechtop staan in 't water en naar
den hen voederenden oppasser uitzien, door een zachte beweging der
achterste ledematen zich op dezelfde plaats weten te houden." Op het
land echter strompelen zelfs die soorten, welke werkelijk nog gaan
kunnen, met moeite voort, terwijl alle andere op een hoogst
eigenaardige, slechts bij hen voorkomende manier zich voortbewegen.
Zij doen dit bijna op dezelfde wijze als sommige soorten van rupsen.
De Zeehond, die zich op het land van de eene plaats naar de andere wil
begeven, gaat met de borst op den grond liggen, kromt den romp als
een Kat naar boven, steunt dan op het achterste deel van het lichaam,
d.w.z. ongeveer op de flanken, en strekt vervolgens schielijk den romp,
waardoor het voorste deel van 't lichaam naar voren schuift. Zoo komt
hij door afwisselend het voorste en het achterste deel van het lichaam
tegen den grond te drukken, door zich afwisselend te krommen en te
strekken, betrekkelijk snel vooruit. De ledematen doen hierbij in 't
geheel geen dienst; zij moeten alleen dan medehelpen, wanneer het dier
naar boven klimt. Ook gebruikt hij ze op zeer behendige wijze om zich
schoon te maken, zich te krabben, zijn haar glad te strijken, ook wel om
er iets mede vast te houden, b.v. het jong aan de borst te drukken.
Alle Robben zijn in hooge mate gezellig. Alleen ziet men ze bijna nooit.
Hoe eenzamer de streek is, des te talrijker zijn de door hen gevormde
kudden of familiën; hoe minder zij met den mensch in aanraking
komen, des te minder argwaan toonen deze dieren, die in de bewoonde
oorden buitengewoon schuw zijn.
De Robben hebben een nachtelijke levenswijze. Den dag brengen zij
het liefst op het land door; zij slapen, of koesteren zich in de zon. Hier
zijn zij juist het tegendeel van hetgeen zij in het water waren. Van de
behendigheid en vlugheid, waarvan zij de bewijzen leveren in het natte
element, bemerkt men op het land niets; zij vertoonen dan integendeel
het volmaakste beeld van de luiheid. Ieder voorval, waardoor zij
gestoord worden in hun gemakkelijke houding, is hun hoogst
onaangenaam; sommige soorten laten zich bijna niet op de vlucht jagen.

Met wellust strekken en rekken zij zich uit op hun leger, en stellen
afwisselend den rug, de zijden of de buikzijde van het lichaam aan de
vriendelijke zonnestralen bloot; zij knijpen de oogen dicht, gapen en
gelijken over 't geheel genomen meer op doode vleeschklompen dan op
levende dieren; het regelmatig openen en sluiten der neusgaten is dan
het eenige bewijs van leven. Als zij zich volkomen wel bevinden, en in
den voortplantingstijd, verzuimen zij het eten weken achtereen;
eindelijk drijft de honger hen weer naar de zee, waar hun intusschen
zeer vermagerd lichaam weldra weer rond en glad wordt. Volgens
Haacke's onderzoekingen in Frankfort, kunnen zij minstens 6 weken
lang honger lijden. De jongen zijn levendige, speelsche en vroolijke
schepsels, de ouden daarentegen dikwijls zeer knorrige, door hun
traagheid letterlijk verbasterde dieren. Men moet echter tot hun
verontschuldiging aanvoeren, dat zij door hun onbeholpenheid op het
land luier schijnen, dan zij werkelijk zijn. Wanneer een gevaar hen
bedreigt, gaan zij, zooals reeds opgemerkt werd, zeer haastig en snel te
water; als het gevaar hen echter te plotseling overvalt, bevangen angst
en schrik hen in zoo hooge mate, dat zij zuchten en sidderen, en
tevergeefs alle mogelijke moeite doen om aan den dood te ontkomen.
Bij het verdedigen van de wijfjes en de jongen daarentegen geven
sommigen, als het noodig is, bewijzen van grooten moed. Op de
eenzaamste eilanden zijn sommige soorten zoo onverschillig voor
vreemde bezoekers, dat zij deze rustig tusschen hen laten doorgaan,
zonder te vluchten; zij worden echter zeer voorzichtig, zoodra zij den
mensch als vernieler van de dierenwereld hebben leeren kennen.
Van hunne zintuigen valt op te merken, dat het gehoor uitmuntend is,
ondanks de ontbrekende of althans kleine oorschelpen; het gezicht en
de reuk daarentegen zijn minder ontwikkeld. Hun stem bestaat uit
heesche geluiden, die soms op het blaffen van een Hond, soms op
Continue reading on your phone by scaning this QR Code

 / 41
Tip: The current page has been bookmarked automatically. If you wish to continue reading later, just open the Dertz Homepage, and click on the 'continue reading' link at the bottom of the page.